De Palmboom in de Bijbel (2) Vol rijke symboliek
André H. Roosma
11 januari 2012
De Bijbel kent veel symboliek waarin de palmboom voorkomt.
God refereert in Zijn Woord aan een aantal karakteristieke aspecten van
de palmboom:
- een overvloed aan bijzonder verkwikkende vruchten;
- zijn groei: redelijk snel, en recht omhoog;
- zijn altijd-groene bladeren bovenin;
- met zijn omhoog geheven takken/bladeren bovenaan lijkt hij God te loven
zoals dat in Bijbelse tijden gedaan werd: met de armen omhoog;
- die takken laten zich daartoe gemakkelijk door de wind (vergelijk: de Geest van God) bewegen;
- door zijn voorbeeld en door zijn vruchten stimuleert hij de mens om
omhoog te kijken en naar God te luisteren.
Het meest gebruikte Hebreeuwse woord voor ‘palmboom’ is תמר - tamar.
In het oude pictografische schrift1 is dit:   - letterlijk: ‘het
teken van water/overvloed van de Ander (God)’!
De eerste keer dat dit woord tamar in de Bijbel voorkomt is
in Exodus 15: 27 (parallel in Numeri 22: 9):
Daarna kwamen zij in Elim; daar waren twaalf waterbronnen en zeventig
palmbomen, en zij legerden zich daar aan het water.
Op weg uit Egypte kwam het volk Israël in Elim, waar, naar vermeld,
70 palmbomen stonden. Nu is 70 in de Bijbel het getal van grote volheid.
Betekende één dadelpalm in de woestijn al goed nieuws,
een volheid aan palmbomen was enorm verkwikkend voor het volk.
Samen met de twaalf waterbronnen (speciaal voor elke stam
één) typisch een teken van Gods zegen en zorg voor hen.
Hij gunde hen verkwikt te worden en weer nieuwe energie te ontvangen.
Psalm 92: 12-15 stelt:
De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, opschieten als een ceder van de Libanon; / geplant
in het huis van JaHUaH groeien zij in de
voorhoven van onze God; / zij zullen in de ouderdom nog vrucht dragen, fris
en groen zullen zij zijn; / om te verkondigen, dat JaHUaH waarachtig is, mijn Rots, in wie geen onrecht
is.
De rechtvaardige, dat wil zeggen: de mens die in verbondenheid met God
JaHUaH (de
HEER1) wandelt, zal groeien als een palmboom.
Via de genoemde associaties roept dat het beeld op van: oprechtheid
(rechtop en oprecht zijn verwant!) snelle groei
in geestelijke volwassenheid, altijd fris zijn zoals de takken/bladeren
van de palm, en God onophoudelijk loven, bewogen door de wind van Gods Geest.
Het gevolg is een rijke vrucht-opbrengst – die ook met de jaren blijft
aanhouden.
Het gevolg is dat ze (door heel hun leven) laten
zien / verkondigen dat JaHUaH waarachtig;
écht is en een Rots waar je op kunt bouwen!
| 1 |
Meer informatie over het hier bedoelde oude Hebreeuwse
schrift in: André H. Roosma, ‘De geschreven taal van Abraham, Mozes en David –
Pictografische wortels en basisnoties in de structuur van het vroeg-Bijbelse
schrift’ , Hallelu-JaH! werkdocument over het oude
Proto-Semitische en Paleo-Hebreeuwse schrift, januari 2011. |
| 2 |
De glorierijke Naam van God laat ik graag zo als Hij
Zelf in Zijn Woord aangegeven heeft, in plaats van een menselijke
vervanging ‘HEER’ te gebruiken.
Voor meer achtergronden bij deze keuze, zie: André H. Roosma,
‘De wonderbare en liefelijke Naam van de God Die er was, Die er is, en Die
er zijn zal’ , uitgebreide Accede!/Hallelu-JaH! studie (ca. 75 p.), juli 2009.
André H. Roosma, ‘Leven, veiligheid en
verbondenheid in blijde aanbidding, uit de hand van God’ ,
Hallelu-JaH! webartikel, januari 2011. |
Palmbomen in de Bijbel:
- Palmboom - tamar/tamarim: Exodus 15: 27 (Numeri 22: 9);
Deuteronomium 34: 3; Psalm 92: 12; Hooglied 7: 7-8; Joël 1: 12.
- Palmboom of palmboomstam (/kolom/paal) - tomèr: Richteren
4: 5; Jeremia 10: 5; (merk op dat het verschil tussen tamar en
tomer een latere interpretatie is; in de oorspronkelijke karakters
staat er precies hetzelfde).
- (Gegraveerde) afbeeldingen van palmbomen - timor/timorot/timorim:
1 Koningen 6: 29, 32, 35; 7: 36; 2 Kronieken 3: 5; Ezechiël 40: 16, 22,
26, 31, 34, 37; 41: 18-20, 25-26.
- Palmtakken/bladeren - kapot / ‘alei tamarim: Leviticus 23:
40; Nehemia 8: 15.
Id. baia ton phoinikon (NT): Johannes 12: 13.
Id. phoinikes (NT): Openbaringen 7: 9.
- Palmstad (Jericho) - ‘ir hattemarim:
Richteren 1: 16; 3: 13; 2 Kronieken 28: 15.
- Palmboom (?) - ’ajil/ mv: ’elim: Exodus 15: 27
(Numeri 22: 9).
|