De veelzeggende Naam van God (23)De Sprekende God van de Exodus en van de hele Bijbel
André H. Roosma 23 juni 2023
Al enige jaren houd ik mij bezig met het opnieuw vertalen van de Bijbel.
Daarbij geef ik bijzondere aandacht aan Gods heerlijke Naam JaHUaH1. Nu was ik dit voorjaar bezig met het boek Exodus en ook met het boek
Jeremia, of beter: Jirme-Jahu (יִרמְיָהוּ - JaHU rijst op
of is verhoogd, ook wel gezien als: door JaHU aangewezen). En daar viel me iets enorm op over JaHUaH, en dat is
dat Hij, JaHUaH spreekt,
heel veel spreekt.
Ik bekeek bijvoorbeeld de zinsnedes: „Dit zegt JaHUaH”
(כה אמר יהוה - koh ’amar
JaHUaH; in de Herziene StatenVert.: „Zo zegt de HEERE”) en:
„Dit zegt mijn Heer JaHUaH” (כה אמר אדני יהוה - koh ’amar adonai
JaHUaH; HSV: „Zo zegt de Heere HEERE” - deze vorm vooral in het
boek Ezechiël). Samen komen deze twee zinsnedes alleen in het ene
Bijbelboek Jirme-Jahu al zo’n 150 keer voor.
En niet alleen in dit ene Bijbelboek betoont JaHUaH Zich
als een God Die spreekt. In de hele Bijbel komen deze zinsnedes zelfs meer
dan 400 keer voor! En dat is dan nog exclusief al die keren dat iets andere
woorden gebruikt worden, zoals: „JaHUaH sprak” (87x), „sprak JaHUaH” (25x),
„JaHUaH zei” (127x), „zei JaHUaH” (82x), „... (luidt het) woord van JaHUaH” en
„(het) woord van JaHUaH (kwam)” (samen 253x), „JaHUaH heeft gesproken” (11x), et
cetera. En Zijn spreken is meestal, zo niet altijd, gedreven vanuit liefde, trouw,
barmhartigheid en gerechtigheid. Hij komt op voor de onderdrukten en redt hen
uit de macht van hun onderdrukkers. Zelfs als mensen verkeerde kanten opgaan,
dingen doen die lijnrecht ingaan tegen het mooie plan dat Hij in liefde voor
hen op het oog had, waarschuwt Hij hen en tracht hen te bewegen, op hun
schreden terug te keren.
Een heel duidelijk voorbeeld vinden we in de uitgebreide conversatie tussen
God JaHUaH en Mozes (in de Hebreeuwse grondtekst
heet hij Mosheh) in Exodus 3 t/m 122 (de
versnummering de SV en de HSV in hfdst 6 verschillen 1 van de meeste andere
vertalingen: vers 2 is daar 1, etc.). Ik geef hier een gedeelte in mijn
concept-vertaling:
3: 4 Toen JaHUaH
zag, dat hij zich daarheen wendde om te kijken, riep God tot hem ...:
Mosheh, Mosheh! En hij zei: Zie, hier ben ik !
5 En Hij zei: Kom niet dichterbij; trek
je schoenen van je voeten, want de plaats, waarop je staat, is heilige
grond.
6 En Hij zei: Ik ben de God van je vader,
de God van ’Abraham, de God van Jitschaq en de God van Ja‘aqobh. Toen verborg
Mozes zijn gezicht, want hij vreesde God aan te kijken.
7 En JaHUaH zei: Ik heb zeer wel
gezien de verdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, en hun pijnkreten
vanwege hun drijvers gehoord; want Ik ben intens bekend met hun leed.
8 Daarom ben Ik neergedaald, opdat Ik het zou
verlossen uit de hand van de Egyptenaren, en het zal voeren uit dit land, naar
een goed en ruim land, naar een land vloeiende van melk en honing, ....
10 Nu dan, ga; Ik stuur jou naar de phara‘oh,
en je zult Mijn volk - de nakomelingen van Isra’el - uit Egypte leiden.
11 Toen zei Mosheh tot God: Wie ben ik, dat ik naar
de phara‘oh zou gaan; en dat ik de nakomelingen van Isra’el uit Egypte zou
leiden?
12 Hij zei: Ik zal zeker met je zijn, en dit
zal je een teken zijn, dat Ik je gestuurd heb: wanneer je dit volk uit Egypte
hebt geleid, zullen jullie God dienen op deze berg.
13 Toen zei Mosheh tot God: Zie, wanneer ik kom tot
de nakomelingen van Isra’el, en tot hen zeg: De God van jullie voorouders
heeft mij naar jullie toe gestuurd; en zij mij zeggen: Wat is Zijn naam? wat
zeg ik dan tot hen?
14 En God zei tot Mosheh: IK ZAL ZIJN, Die
IK ZIJN ZAL [of: IK BEN, DieIK BEN]. Dit zul je
tot de nakomelingen van Isra’el zeggen: IK ZAL ZIJN [of: IK BEN] heeft mij naar jullie toe gestuurd!
15 Verder zei God tot Mosheh: Dit zul je tot
de de nakomelingen van Isra’el zeggen: JaHUaH, de God van jullie
voorouders, de God van ’Abraham, de God van Jitschaq, en de God van Ja‘aqobh,
heeft mij naar jullie toe gestuurd; dát is Mijn Naam voor eeuwig, en zó wil Ik
aangeroepen worden van generatie op generatie.
16 Ga heen, en verzamel de oudsten van Isra’el, en
zeg tot hen: JaHUaH, de God van jullie voorouders, is aan mij
verschenen, de God van ’Abraham, Jitschaq en Ja‘aqobh, zeggende: Ik heb veel
aandacht besteed aan jullie, en aan wat jullie is aangedaan in Egypte.
17 Daarom heb Ik gezegd: Ik zal jullie uit de
verdrukking van Egypte omhoog halen, .... naar een land, vloeiende van melk en
honing.
18 En zij zullen naar je stem horen; en je zult
gaan, jij en de oudsten van Isra’el, naar de koning van Egypte, en jullie
zullen tot hem zeggen: JaHUaH, de God van de Hebreeën, is ons komen
ontmoeten; nu dan, laat ons dus toch gaan een reis van drie dagen de woestijn
in, om te offeren aan JaHUaH, onze God!
4: 1 Toen antwoordde Mosheh, en zei: Maar zie, zij
zullen mij niet geloven, noch naar mijn stem willen luisteren; want zij zullen
zeggen: JaHUaH is jou niet verschenen!
2 En JaHUaH zei tot hem: Wat is er in je
hand? En hij zei: Een staf.
3 En Hij zei: Werp die op de grond. Toen hij
hem op de grond wierp, werd hij een slang; en Mosheh vluchtte ervoor weg.
4 Toen zei JaHUaH tot Mosheh: Strek je hand
uit en grijp hem bij zijn staart! Toen strekte hij zijn hand uit en pakte hem,
en hij werd een staf in zijn hand.
5 Opdat zij geloven, dat jou verschenen is
JaHUaH, de God van hun voorouders, de God van ’Abraham, de God van
Jitschaq, en de God van Ja‘aqobh.
6 Verder zei JaHUaH tot hem: Steek nu je
hand in je boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij
hem eruit, en zie, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.
7 En Hij zei: Steek je hand weer in je
boezem. En hij stak zijn hand weer in zijn boezem; daarna trok hij ze
uit zijn boezem en zie, hij was weer terug als zijn overige vlees.
8 En het zal gebeuren, als zij je niet geloven,
noch horen naar wat het eerste teken te zeggen heeft, dan zullen zij geloven
wat het tweede teken te zeggen heeft.
9 En het zal gebeuren, als zij ook deze twee
tekenen niet geloven, noch naar je stem horen, neem dan van het water van
de rivier [de Nijl], en giet het op het droge; dan zal het water, dat je uit de rivier [de Nijl]
zult nemen, dat zal bloed worden op het droge.
10 Toen zei Mosheh tot JaHUaH: AlstUblieft
mijn Heer JaHUaH, ik ben geen man van het
woord, noch sinds gisteren, noch sinds eergisteren, noch van toen af, toen U
tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.
11 En JaHUaH zei tot hem: Wie heeft voor de
mens een mond gemaakt, of wie maakt stom, of doof, of ziende, of blind?
Ben Ik het niet, JaHUaH?
12 Nu ga heen, en Ik zal met je mond zijn, en zal
je onderwijzen, wat je spreken zult.
13 Maar hij zei: AlstUblieft, mijn Heer JaHUaH, zend toch via de hand van degene die U zou zenden.
14 Toen ontbrandde de toorn van JaHUaH
tegenover Mosheh, en Hij zei: Is niet ’Aharon, je broer, de Leviet?
Ik weet dat Hij zeer goed kan spreken. En zie, hij zal uitgaan jou tegemoet;
wanneer hij je ziet, zal hij in zijn hart verblijd zijn.
15 Jij zult tot hem spreken, en de woorden in zijn
mond leggen; en Ik zal zijn met jouw mond, en met zijn mond; en Ik zal
jullie onderwijzen wat je doen zult.
16 En hij zal voor jou tot het volk spreken; en
het zal worden, dat hij jou tot mond zal zijn, en jij zult hem tot autoriteit zijn.
17 Neem dan deze staf in je hand, waarmee je die
tekenen doen zult.
18 Toen ging Mosheh heen en keerde terug naar
Jitro, zijn schoonvader, en zei tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik
terugkere naar mijn broeders, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven.
Jitro zei tot Mosheh: Ga in vrede!
19 Want JaHUaH had tot Mosheh in Midjan
gezegd: Ga heen, keer terug naar Egypte, want al de mannen die jou
naar het leven stonden zijn dood.
20 Mosheh nam zijn vrouw en zijn zonen, en liet
hen op een ezel rijden, en keerde terug naar het land Egypte; en Mosheh nam
de staf van God in zijn hand.
21 En JaHUaH zei tot Mosheh: Terwijl je
heentrekt, om naar Egypte terug te keren, zie toe, dat je al de wonderen doet
voor het aangezicht van de phara‘oh, die Ik in je hand [d.w.z. in je macht] gelegd heb. Maar Ik zal zijn hart verharden,
zodat hij het volk niet zal laten gaan.
22 Dan zul je tot de phara‘oh zeggen: Dit zegt
JaHUaH: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Isra’el.
23 En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon
gaan, dat hij Mij kan dienen. Maar u hebt geweigerd hem te laten gaan; zie,
dan zal Ik uw zoon, uw eerstgeborene doden! ....
24 En het gebeurde onderweg, in een herberg,
dat JaHUaH hem ontmoette, en hem wilde doden.
25 Toen nam Tsipporah een stenen mes en besneed de
voorhuid van haar zoon, en wierp die voor zijn voeten, en zei: Zeker, je bent
mij een bloedbruidegom!
26 En Hij liet hem met rust. Toen zei zij:
Bloedbruidegom, vanwege de besnijdenis.
27 En JaHUaH zei tot ’Aharon: Ga Mosheh
tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem bij de goden-berg
[of: de berg van God] en kuste hem.
28 En Mosheh gaf ’Aharon te kennen al de
woorden van JaHUaH, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die
Hij voor hem neergezet had.
29 Toen gingen Mosheh en ’Aharon, en zij
verzamelden al de oudsten van de nakomelingen van Isra’el.
30 En ’Aharon sprak al de woorden, die JaHUaH
tot Mosheh gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen van het
volk.
31 En het volk geloofde, en toen zij hoorden, dat
JaHUaH de nakomelingen van Isra’el opgezocht had, en dat Hij hun
verdrukking gezien had, bogen zij zich, en knielden diep neer.
5: 1 Daarna kwamen Mosheh en ’Aharon, en zeiden tot
de phara‘oh: Dit zegt JaHUaH, de God van Isra’el: Laat Mijn volk gaan,
om voor Mij een feest te vieren in de woestijn!
2 Maar de phara‘oh zei: Wie is JaHUaH, naar
Wiens stem ik zou moeten luisteren, om Isra’el te laten gaan? Ik ken
JaHUaH niet, en ik zal ook Isra’el niet laten gaan. ....
6: 1 (5:24) Toen zei JaHUaH tot Mosheh: Nu
zul je zien, wat Ik aan de phara‘oh doen zal; want door een machtige hand zal
hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land
drijven.
2 (6:1) Verder sprak God tot Mosheh, en
zei tot hem: Ik ben JaHUaH. ....
6 (5) Zeg daarom tot de nakomelingen van
Isra’el: Ik ben JaHUaH, en Ik zal ulieden uitleiden van onder de
dwangarbeid van de Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun slavernij, en zal
u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten; ....
10 Verder sprak JaHUaH tot Mosheh,
zeggende:
11 Ga heen, spreek tot de phara‘oh, de koning van
Egypte, dat hij de nakomelingen van Isra’el uit zijn land trekken late.
12 Maar Mosheh sprak voor het aangezicht van
JaHUaH, zeggende: Zie, de nakomelingen van Isra’el hebben naar mij niet
geluisterd; hoe zou dan de phara‘oh naar mij luisteren? Bovendien ben ik niet
welbespraakt [letterlijk: ben ik onbesneden van
lippen]
13 JaHUaH echter sprak tot Mosheh en
tot ’Aharon, en vaardigde hen af naar de nakomelingen van Isra’el, en naar de
phara‘oh, de koning van Egypte, om de nakomelingen van Isra’el uit het land
Egypte te leiden. ....
28 En het gebeurde in die dagen, toen
JaHUaH tot Mosheh sprak in het land Egypte,
29 sprak JaHUaH tot Mosheh, zeggende:
Ik ben JaHUaH; spreek tot de phara‘oh, de koning van Egypte, alles,
wat Ik tot u spreek.
30 Toen zei Mosheh voor het aangezicht van
JaHUaH: Ik ben immers niet welbespraakt [zie
vers 12]; hoe zal dan de phara‘oh naar mij luisteren?
7: 1 JaHUaH echter zei tot Mosheh:
Zie, Ik stel jou als God voor de phara‘oh; en je broer ’Aharon zal jouw
profeet zijn.
2 Jij zult spreken alles wat Ik je zal opdragen,
en je broer ’Aharon zal tot de phara‘oh spreken, opdat hij de nakomelingen
van Isra’el uit zijn land trekken laat.
3 Maar Ik zal het hart van de phara‘oh verharden,
en Ik zal Mijn tekenen en wonderen talrijk maken in het land Egypte,
4 De phara‘oh zal naar jullie niet luisteren. Ik
zal Mijn hand op Egypte leggen en Mijn menigten, Mijn volk, de nakomelingen
van Isra’el, uit het land Egypte leiden onder zware gerichten.
5 Dan zullen de Egyptenaren weten, dat Ik
JaHUaH ben, wanneer Ik Mijn hand tegen Egypte uitstrek en de
nakomelingen van Isra’el uit hun midden wegleid.
6 Toen deden Mosheh en ’Aharon, zo als JaHUaH
hun opgedragen had, zo deden zij.
....
8 En JaHUaH sprak tot Mosheh en ’Aharon,
zeggende:
9 Wanneer de phara‘oh tot jullie spreken zal,
zeggende: Doet een wonderteken, dan zul je tot ’Aharon zeggen: Neem je staf
en werp die neer voor het aangezicht van de phara‘oh neer; dan zal hij een
slang worden.
10 Toen gingen Mosheh en ’Aharon tot de phara‘oh
heen in, en zij deden zo, als JaHUaH opgedragen had; en ’Aharon wierp
zijn staf neer voor het aangezicht van de phara‘oh en voor het aangezicht
van zijn dienaren, en hij werd een slang.
....
13 Maar het hart van de phara‘oh verhardde, zodat
hij naar hen niet luisterde, net zo als JaHUaH gesproken had.
14 Toen zei JaHUaH tot Mosheh: Het hart van
de phara‘oh is onvermurwbaar; hij weigert het volk te laten trekken.
15 Ga heen tot de phara‘oh in de ochtend;
zie, hij zal uitgaan naar het water toe; stel je tegenover hem aan de oever
van de rivier [de Nijl] en de staf, die in een
slang veranderd is geweest, zul je in je hand nemen.
16 En je zult tot hem zeggen: JaHUaH, de
God van de Hebreeën, heeft mij tot u gezonden zeggende: Laat Mijn
volk trekken, om Mij te dienen in de woestijn; maar zie, tot nu toe hebt u
niet geluisterd.
17 Dit zegt JaHUaH: Hieraan zult u weten,
dat Ik JaHUaH ben: zie, ik zal met deze staf die in mijn hand is, op
het water in deze rivier slaan, en het zal in bloed veranderd worden,
...
En zo gaat het nog een heek stuk verder, tot Isra’el uit Egypte weg is.
De strekking van dit lange citaat is duidelijk: God JaHUaH spreekt!
De boeken van de profeten staan evenzo vol met het spreken van God
JaHUaH.
We kunnen dus wel concluderen dat de Bijbel ons veelvuldig leert dat
JaHUaH een God is Die spreekt tot Zijn mensen.
| „Ik weiger de
leugen te accepteren die de tegenstander op zovelen van Gods mensen gedrukt
heeft: dat de Heer gestopt is met tot zijn mensen te spreken” David WilkersonDaily Devotional blog: Ever-Present Help, 4 Dec. 2009 (mijn vertaling). |
Eerder heb ik
al eens besproken dat JaHUaH bij uitstek een God is Die trouw is,
onveranderlijk en integer (het Hebreeuwse woord dat de
Bijbel gebruikt is אמת - ’emet -
trouw, waar, waarachtig, consequent, integer). Dus het kán gewoon niet
waar zijn wat in sommige kerken wordt onderwezen, dat deze God nu ineens (of ongeveer 2000 jaar geleden) opgehouden is, tot Zijn
mensen te spreken. Is Hij niet nog steeds diezelfde sprekende God?
Het probleem zit er niet in dat God JaHUaH niet meer spreekt, maar
dat wij Hem niet horen. Of we horen Hem wel, maar redeneren het weg. We hebben
misschien verleerd, goed te onderscheiden wat onze eigen gedachten zijn, en
wat woorden van Hem zijn. Maar niet getreurd, net als de jonge Samuël mogen we
dat leren.
Hoe we dat kunnen leren, daarover heb ik al heel veel geschreven op
de website www.Immanuel-levensstijl.nl, waar ik hier dus graag naar verwijs.
Hallelu JaHUaH !
Noten
1 |
De glorierijke Naam van God, JaHUaH geef ik hier
zo goed mogelijk weer vanuit het oudste Hebreeuwse origineel. Voor meer achtergrond informatie over deze glorierijke Naam van God,
zie: André H. Roosma,
‘De wonderbare en liefelijke Naam van de God Die er was, Die er is, en Die
er zijn zal’ , uitgebreide Accede!/Hallelu-JaH! studie (ca. 90 p.), juli 2009. Overigens is het hier weergegeven gedeelte uit Exodus in het geheel genomen
ook mooi en vrij letterlijk vertaald in de Naardense vertaling, behalve hoe
daar is omgegaan met de glorierijke Naam van God - dat vind ik daar wat vreemd:
in Exodus 3:14 wordt de 1e persoonsvorm vertaald met IK-ZAL-ER-ZIJN en dan
alleen in 3:15-4:14 de gewone vorm met DIE-ER-ZIJN-ZAL, en daarvóór en daarna
zomaar ineens met de Griekse / Platonische vorm: De ENE.
Ook ben ik niet blij met het gebruik van kleine letters voor woorden als Hij,
waar die over God gaan. Ik gebruik uit respect daar een hoofdletter. |
2 |
Enkele noten bij deze vertaling: De namen uit de Hebreeuwse grondtekst heb ik zo goed mogelijk
getranslitereerd, dat wil zeggen: letter voor letter overgezet naar ons
schrift, op de meest gebruikelijke wijze. Bijvoorbeeld de letter א (’aleph) is hierbij weergegeven door een
’, de ע (‘ajin) door een ‘, de כ (kaph) door een k, of kh (in geval van de
zachte variant), de ק (qoph) door een q. Bij de vertaling van de 2e persoonsvorm heb ik me laten leiden door de mate
van intimiteit en de gezagsverhouding. Bijv. God spreekt Mosheh aan met 'jij',
Mosheh spreekt God en de phara‘oh of de leiders van Isra’el aan met 'u'. Het woord פַּרְעֹה - de phara‘oh, heb ik opgevat
als titel, en niet als naam, en dus niet met een hoofdletter geschreven
(vergelijk: de koning). Het is opmerkelijk, dat in heel dit verhaal de
naam van de betreffende phara‘oh niet genoemd wordt; zelfs de namen van de
vroedvrouwen die Mosheh ter wereld helpen brengen worden wél genoemd, maar
zijn naam was het niet waard, genoemd te worden. Het vrouwelijke meervoud (bezittelijke vorm, 2e persoon meervoud) אֲבֹֽתֵיכֶם (abhoteïkhem) van het woord אב (ab - vader), heb ik vertaald met: jullie
voorouders. De uitdrukking בְנֵֽי־יִשְׂרָאֵל (benei Isra’el) heb ik evenzo vertaald met: de nakomelingen van
Isra’el. Er zitten in heel het verhaal over Isra’el in Egypte in de oude Hebreeuwse
grondtekst een paar opmerkelijke details. Niet alleen wordt de naam van de
betreffende phara‘oh niet genoemd, de naam van het land in feite ook
niet. Waar alle vertalingen 'Egypte' vertalen, staat in het Hebreeuws מצרים - mitsraïm. We kunnen dit zien als afgeleid
van de tweeletterige stam צר - tsar - harde
steen (zoals Tsipporah gebruikte om haar zoon te besnijden in Ex.4:25),
onderdrukking, onderdrukker, nood, angst. Het is samengesteld uit de
tsade en de resh, oorspronkelijk een papyrus- of graanplant (die
uitgeperst werd of geslagen om hem te dorsen) respectievelijk een hogere
ander (vaak: God). Samen dus zoiets als: geperst of geslagen door een hogere.
We herkennen in מצרים - mitsraim deze kern
tsar; de mem als voorvoegsel staat voor zoiets als 'vanuit',
de uitgang -im is een mannelijk meervoud; het is duidelijk dat men dit
land in verband bracht met onderdrukkingen waaruit God hen had bevrijd;
'land van vroegere onderdrukkingen' is dus wellicht een betere vertaling voor
ארץ מצרים - ’erets mitsraïm.
De huidziekte die Mosheh aan zijn hand kreeg toen hij hem in zijn boezem stak,
is צרע - tsara‘ - naar de oude symbolen:
tsar + ‘ajin = zien, dus: verdrukking zien (God zag hoe Isra’el
verdrukt werd). En zo is er nog wel meer. Alle werkwoordsvormen die betrekking hebben op het spreken van JaHUaH
(in dit gedeelte meer dan 40!) heb ik voor de duidelijkheid in de context van
dit artikel vet gezet, evenals Zijn Naam zelf, en een paar andere
opvallende uitdrukkingen. |
Er zijn gelukkig vandaag de dag diverse boeken
beschikbaar die ons kunnen helpen in het leren luisteren naar God, Ik noem
hier enkele:
- Hanneke van Dam, Gods Stem Horen – Buitengewoon avontuur voor
gewone mensen, Gideon, Hoornaar, 2014; ISBN: 978 90 5999 067 8.
- Janet Johnson, Luisteren naar God – Genieten van Gods
nabijheid door het lezen van de Bijbel, Navigator Boeken / Novapress,
Driebergen (NL), 1999; ISBN 90 70656 91 4 / 90 6318
236 8 (vertaling, door Connie van de Velde–Oosterom,
van: Listening to God, NavPress, Colorado Springs (USA), 1998).
- Derek Prince, Luisteren naar God - Gods onveranderlijke
voorwaarde, serie Leren in de stilte / Wandelen met God, (gebaseerd op de tape-serie 'Hearing God's voice', vertaling
door Joyce de Jongh en Theo Veldhuis, redactie Ivar van der Sterre), Derek Prince Ministries, Beverwijk, 2006; ISBN 978 90 7518 550 2.
Bijlage: De archeologie en linguïstiek en De Exodus
De afgelopen decennia is er overigens door sommige
geleerden beweerd dat er in Egypte geen aanwijzingen te vinden zijn voor de
Exodus van het volk Israël, zoals de Bijbel die onderwijst in het gelijknamige
Bijbelboek. Anderen hebben wel gesteld dat de literaire kenmerken van de Torah
Bijbel-boeken sowieso er meer op lijken te wijzen dat ze niet in de tijd
van Mozes (16de eeuw voor Christus) maar pas rond de 5de eeuw voor Christus
geschreven zijn, toen de Joden bij terugkomst uit de Babylonische
ballingschap op zoek waren naar hun roots.
Om even met dat laatste punt te beginnen: de observatie
over de literaire kenmerken gaat voorbij aan het schrift waarin Mozes
deze boeken heeft geschreven, het schrift waarin ze in de koningen-tijd zijn
overgeschreven, en het schrift en de taal die de Joden hanteerden na de
Babylonische ballingschap. Die drie verschilden nogal van elkaar. Het schrift
dat Mozes gehanteerd moet hebben, was het West-Semitische plaatjesschrift, dat
ik elders op deze site uitgebreid bestudeer.3
In de koningen-tijd is dit voor een snelle schrijfbaarheid sterk
vereenvoudigd in het Paleo-Hebreeuwse schrift, al bleven ook veel kenmerken
behouden. Toen de Joden echter uit hun ballingschap vanuit Babylon naar hun
eigen land terugkeerden, hadden ze 70 jaar lang alleen het Aramese schrift
gekend, waren minstens 2 generaties lang op school daarin onderwezen, en
waren ze de kennis van hun eigen Paleo-Hebreeuwse schrift kwijtgeraakt.
Zodoende moesten Ezra en anderen toen alle bestaande Bijbelboeken opnieuw
opschrijven in het Aramese schrift.
Ook de taal was intussen sterk door het Aramees beïnvloed. Sommige woorden
waren nauwelijks meer bekend en werden vervangen door modernere vormen of
equivalenten. Hier en daar voegden ze redactioneel commentaar toe, de
tekst relaterend aan die tijd. Dat verklaart volledig de stijl-kenmerken uit
de 5e eeuw voor Christus. Het is alsof ik de werken van Joost van den Vondel
in wat moderner Nederlands intik en op m'n laserprinter uitdraai, en iemand
zegt dan: nee, dat is echt niet geschreven door Vondel, het is veel moderner
Nederlands en die letters komen uit een laserprinter, die was er nog niet
in Vondel's tijd! Het feit dat het in de 5e eeuw ietwat geredigeerd is, spreekt
niet tegen dat de originele tekst - nog herkenbaar - van Mozes was...
Dan het punt van de Egyptische annalen zo die door
opgavingen ontdekt zijn, die geen aanwijzingen zouden bevatten voor de Exodus
van het volk Israël. Ook daar is het de vraag of zaken dan wel goed en
objectief onderzocht zijn. Wat nauwkeuriger onderzoek heeft namelijk wel zaken
aan het licht gebracht die heel duidelijk in lijn zijn met het Bijbelse
Exodus-verhaal. Heel veel details van het Bijbel-verhaal zijn wél exact
terug te vinden in Egyptische bronnen. Een probleem daarbij is natuurlijk, dat de Egyptenaen niet trots waren op hun
uiteindelijke, grote nederlaag, en daar dus niet in die zin over
schreven. Maar de feiten die blijken uit opgravingen vertellen een verhaal wat
héél duidelijk het verhaal van de Bijbel onderschrijft. Velen hebben daar al decennia diepgravend onderzoek naar gedaan. Een zo'n
onderzoeker is de Franse wetenschapper Gérard Gertoux. Na een dik
boek en diverse artikelen van hem hierover gelezen te hebben4, werd ik er
onlangs door de site Academia.edu op geattendeerd dat hij nog een nieuwe
studie op die site had gezet: Gérard Gertoux, ‘Egyptian chronology, 2838-342 BCE,
through astronomically dated synchronisms and comparison with carbon-14
dating’. In dit artikel (e-book) van 274 pagina's A4 (!) citeert hij
onnoemelijk veel oude Egyptische bronnen. Via astronomische verificatie
(bijzondere configuraties van sterren, zonsverduisteringen, etc.
werden vaak wel opgeschreven en zijn vrijwel tot op de dag nauwkeurig terug te
berekenen door de regelmaat van alle rondgangen van de hemellichamen) kan hij
precies alles dateren wat beschreven is. Zo heeft hij bijvoorbeeld vast
kunnen stellen, wanneer de Exodus plaatsvond: 25 april 1533 voor Christus;
en ook welke de farao was waaronder dit plaatsvond: Seqenenre Taa.
Alles blijkt zeer nauwkeurig te kloppen. Zo is de zoon van deze farao,
Ahmose Sapaïr, een aantal dagen vóór hem gestorven (nl. één dag voor de
uittocht), en is het lichaam van deze farao Seqenenre Taa niet direct na zijn
dood gebalsemd (zoals normaliter altijd gebeurde), maar pas een tijdje later
(namelijk toen zijn lichaam uiteindelijk was aangespoeld, nadat hij verdronken
was toen hij de Israëlieten in de zee achtervolgde - zie ook Ps.136:15;
het verkeerde toen al in enige staat van ontbinding). Over de
toedracht van zijn dood en die van zijn zoon Ahmose Sapaïr wordt in de
Egyptische analen categorisch gezwegen... De tweede zoon van Seqenenre Taa,
Ahmose, was nog een baby en dus veel te jong, toen zijn iets oudere broer en
zijn vader overleden, zodoende is de regering van Egypte tijdelijk ter hand
genomen door regent Kamose, een jongere broer van Seqenenre Taa, die toen in
Zuid-Egypte al een politieke functie had. De hoofdstad van het gebied waar de
Israëlieten woonden was Avaris. De Egyptische annalen laten zien dat op
diezelfde 25 april 1533 voor Christus die stad ineens grotendeels is verlaten
en leeg geplunderd.
Het is door de timing ook heel duidelijk dat inderdaad
de Semitische heersers die in Egypte bekend stonden als de Hyksos, gewoon de Bijbelse Israëlieten zijn, zoals de
Joodse historicus Vlavius Josephus in de eerste eeuw na Christus al opmerkte.
Ze zijn zeer rustig en vredelievend in Egypte aan de macht gekomen (hoewel
dat normaal gesproken vreemd zou zijn, dat ineens een buitenlands volk zonder
strijd de macht overneemt), dienden slechts één God, en bij hun vertrek is
er wel van alles aan heftige dingen gebeurd (zoals de dood van Seqenenre
Taa en de elite van zijn leger), maar een echte oorlog is er niet gevoerd
(hierover is wel veel gespeculeerd, maar bewijzen ontbreken)...
3 |
Meer informatie over het hier bedoelde oude schrift in:
André H. Roosma, ‘De geschreven taal van Abraham, Mozes en David –
Pictografische wortels en basisnoties in de structuur van het vroeg-Bijbelse
schrift’ , Hallelu-JaH! levend
werkdocument over het oude West-Semitische en Paleo-Hebreeuwse schrift,
januari 2011 (wordt onregelmatig bijgewerkt). |
4 |
Bijv. Gérard Gertoux, Moses and the Exodus -
Chronological, Historical and Archaeological Evidence, Lulu.com; August,
2015; ISBN 978 1 329 44525 3. Ook als download op Academia.edu. Gérard Gertoux, ‘Dating
the war of the Hyksos’, op Academia.edu. Dit uitgebreide artikel
geeft een enorme rijkdom aan archeologisch en historisch bewijs dat de
Hyksos inderdaad geidentificeerd kunnen worden met de Israëlieten. Gérard Gertoux, ‘The Pharaoh of the Exodus - Fairy tale or real history? - Outcome of the
investigation’, op Academia.edu. Dit uitgebreide artikel / e-book
geeft een enorme rijkdom aan archeologisch en historisch bewijs voor de
historiciteit van het Bijbelse Exodus-verhaal, inclusief observaties
betreffende de Hyksos. |
Vorige delen in deze serie De veelzeggende Naam van
God: (22) De rijkdom van de Titel אֵל רַחוְּם -
’El Rachum’; (21) Waarom het christendom DE NAAM veelal negeerde; (20) JaHUaH - de ware God van de Bijbel – is betrokken!; (19) De rijkdom van de Titel אֵל שַׁדַּי -
’El Shaddai; (18) Waarom het rabbijnse jodendom DE NAAM niet wil noemen; (17) Wat we leren uit Jezus’ verzoeking in de woestijn.
|