Hallelu-JaH - alle eer aan JaHUaHUSA flag/GB flag
  

De veelzeggende Naam van God (26)

De יראת יהוה - jir’at JaHUaH

André H. Roosma
17 februari 2024

De jir’at JaHUaH1 is het begin van de wijsheid, een goed inzicht hebben allen die ze betrachten. Zijn lof houdt eeuwig stand.

Psalm 111:10

יראת יהוה - jir’at JaHUaH is een Hebreeuwse uitdrukking in de Bijbel die me al jarenlang bezig houdt. De traditionele ‘vertaling’ is: de vreze des HEEREN. Leert de Bijbel dan dat we vooral bang moeten zijn voor God? Wanneer we bepaalde Bijbel-gedeelten lezen, zouden we het kunnen den­ken. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Exodus 19-20 – over hoe ontzagwek­kend Gods verschijning op de Sinaï was voor de Israëlieten. De hele berg stond te beven, er was voortdurend bliksem en donder te zien en te horen, met een geluid als van intens geschal van ramshoorns, en iedereen moest afstand houden om in leven te blijven.
Anderzijds geeft de Bijbel duidelijk aan dat God niet wil dat we bang voor Hem zijn (bijv. Jes.12:2)!
En aan de grammaticale vorm te zien, lijkt het meer een eigenschap van God JaHUaH Zelf (net zo als wanneer er bijv. gesproken wordt over de majesteit van JaHUaH of de macht van JaHUaH), en dus niet of minder iets van ons. Maar toch moeten wij ernaar streven dit ons eigen te maken, haar ‘betrachten’, want bij de jir’at JaHUaH beginnen wijsheid en kennis, zegt de Psalm hierboven, en ook Spreuken 1:7 zegt zoiets:

De jir’at JaHUaH is het begin van de kennis, de dwazen verachten wijsheid en tucht.

Spreuken 1:7, zie ook 2:5; 9:10

Met andere woorden: de jir’at JaHUaH is uitermate belangrijk, en zonder dit, kun je het vergeten dat je enige wijsheid of werkelijk zinnige kennis opdoet!

Hoe zit dit dan? Wat is de יראת יהוה - jir’at JaHUaH nou precies, en hoe maken we ons die eigen?
Ten eerste kunnen we woordenboeken raadplegen. Gesenius, Brown, Driver & Briggs zeggen dat יִרְאַת - jir’at samenhangt met de werkwoord-stam ירא - jare’ - (1) vrezen, angstig zijn, (2) ontzag hebben voor, vol ontzag staan voor iemand, iemand eren, en (3) trillen (Fürst voegt toe: stralen) van vreugde. De niph‘al - dat is: wederzijdse of deelwoord-vorm van dit werkwoord is ook vrij duidelijk: נרא - nora’ - gevreesd worden, ontzagwekkend, vreselijk, bewonderenswaardig, wonderbaarlijk, opwin­dend zijn.
Daarmee komen we erop uit dat als we vervuld zijn van de jir’at JaHUaH, we vol ontzag, diep respect en bewondering opzien naar God JaHUaH. Dit artikel sluit dus in feite sterk aan op het vorige in deze serie, waar we za­gen dat Mosheh en de Israëlieten vol bewondering JaHUaH toezongen omdat ze vol bewondering voor Hem waren in verband met de enorme wonderen die Hij had gedaan en hoe Hij hen heel glorieus gered had uit de klauwen van hun onderdrukkers: de machtige Egyptenaren. Voor ons is het net zo. Gods grootheid, Zijn liefde en zorg ook voor ons en Zijn reddende werk in Jeshu‘a zijn een geweldige basis voor ons ontzag, onze bewon­de­ring en dus onze jir’at JaHUaH.

Ja, het zien van Gods grootheid en macht kan twee reacties oproepen: als we blij met Hem zijn, zullen we veel bewondering en een blij ontzag voor Hem hebben. Maar iemand die het niet met Hem eens is of Hem zelfs vijandig gezind is, zal op basis van Gods grootheid en macht gegronde reden hebben om bang voor Hem te zijn. Dit zie ik ook terug in dit gedeelte uit Spreuken:

20 De wijsheid roept luid op de straat, op de pleinen verheft zij haar stem, 21 op de hoek van de rumoerige straten roept zij, bij de ingangen van de poorten, in de stad, spreekt zij haar redenen: 22 Hoelang zult u, onverstandigen, het onverstand liefhebben, zullen spotters aan spotternij een welgevallen hebben, en dwazen de ken­nis haten? 23 Keert u tot Mijn vermaning! Zie, Ik wil Mijn Geest voor u uitstorten, u Mijn woorden bekendmaken. 24 Omdat u wei­ger­de, toen Ik riep, niemand acht gaf, toen Ik Mijn hand uitstrekte, 25 u al Mijn raadgevingen in de wind sloeg, en Mijn vermaning niet wilde, 26 daarom zal Ik ook lachen om uw verderf, Ik zal spotten, wanneer uw verschrikking komen zal. 27 Wanneer uw verschrikking zal komen als een storm en uw verderf zal aansnellen als een wervelwind, wan­neer benauwdheid en angst over u zullen komen, 28 dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden, zij zullen Mij zoeken, maar Mij niet vinden. 29 Omdat zij de kennis hebben gehaat en de jir’at JaHUaH niet hebben verkozen, 30 Mijn raad niet hebben ge­wild, al Mijn vermaningen hebben versmaad, 31 zullen zij eten van de vrucht van hun wandel en verzadigd worden van hun raadslagen. 32 Want de afkerigheid van de onverstandigen zal hen doden, de zorgeloosheid van de dwazen zal hen te gronde richten. 33 Maar wie naar Mij luistert, zal gerust wonen, beveiligd tegen de verschrikking van het onheil.

Spreuken 1:20-33; vgl. 16:6; 19:23

Wanneer ik dit lees, wordt het mij duidelijk, dat de jir’at JaHUaH erover gaat dat we, vanuit ons ontzag voor Hem, ons nederig opstellen en willen luisteren naar God. Zijn grote liefde geeft ons daar ook alle aanleiding toe!

De relatie met kennis en wijsheid ligt juist ook dáárin: dat we niet eigen­wijs zijn, het zelf wel denken te weten, maar voortdurend luisteren naar wat Hij te zeggen heeft (vergelijk ook Spr.3:1-10):

1 Mijn zoon, indien u Mijn woorden aanneemt en Mijn geboden bij u bewaart, 2 zodat uw oor de wijsheid opmerkt en u uw hart neigt tot de verstandigheid, 3 ja, indien u tot het inzicht roept en tot de ver­standigheid uw stem verheft; 4 indien u haar zoekt als zilver en naar haar speurt als naar verborgen schatten, 5 dan zult u de jir’at JaHUaH verstaan en het kennen van God vinden. 6 Want JaHUaH geeft wijsheid, uit Zijn mond komen kennis en verstandigheid; 7 Hij bewaart hulp voor de oprechten, Hij is een schild voor wie integer wandelen, 8 terwijl Hij waakt over de paden van het recht en de weg van Zijn gunstgenoten beschermt.

Spreuken 2:1-8

Even eerder noemde ik het gebeuren van Gods neerdalen op de Sinaï, dat beschreven is in Exodus 19-20. Een opmerkelijk vers hieruit is dit:

Mozes sprak tot het volk: Jare’ niet (’al-tira’u oftewel: Vrees niet, 2e p.mv.), want God is gekomen om jullie op de proef te stellen en opdat Zijn jir’at (lett: jir’ato; Zijn 'vrees'; d.w.z. de jir’at JaHUaH) voor jullie aangezichten zal zijn, opdat jullie niet zondigen.

Exodus 20:20

Op het eerste gezicht lijkt dit - zo het meestal vertaald wordt - te zeggen: vrezen jullie niet ... opdat jullie vrezen. Dat zou een beetje raar zijn.
Waar het om gaat, is dat het volk niet bang hoefde te worden, maar wél zo’n ontzag voor God kreeg, dat het hen ervan zou weerhouden, te zon­digen (vgl. Spr.16:6).
Er is een groot verschil tussen ontzag voor God dat gekoppeld is aan een diep besef van Zijn liefde voor ons, dat ons blij maakt en energie geeft en ons ertoe aanzet om goed te leven, en een angst voor God die alleen maar zou verlammen of die zou zorgen dat we heel gedreven en angstig be­paal­de dingen wel of niet willen doen. Het is duidelijk dat God het eerste bedoelt.

Dat zien we ook, wanneer we verder lezen. Iets verderop zegt God tegen de Israëlieten wat Zijn bedoeling is voor hen:

Op elke plaats waar Ik Mijn Naam zal laten gedenken, zal Ik naar u toe komen en u zegenen.

Exodus 20:24b

Weer een iets ander licht op de jir’at JaHUaH krijgen we in deze tekst:

De jir’at JaHUaH is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de bescher­mende maatregelen2 van JaHUaH zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig

Psalm 19:10

Hier wordt de jir’at JaHUaH vergeleken met de beschermende maatregelen van JaHUaH – beide zijn waarachtig, rein, rechtvaardig en eeuwig, en lei­den ons daar in feite ook in. Iets dergelijks herkennen we in:

12 Komt, kinderen, luistert naar mij, ik zal u de jir’at JaHUaH leren. 13 Wie is de man die het leven begeert, vele dagen wenst om het goede te genieten? 14 Bewaar uw tong voor het kwade en uw lippen voor het spreken van bedrog; 15 wijk van het kwade en doe het goede, zoek shalom en jaag die na.

uit Psalm 34

Ooggetuigen

Veel valt ook te leren uit de getuigenissen van de mensen in de Bijbel die op enig moment iets van God Zelf zagen.3 Het was voor hen allen een zeer indrukwekkende gebeurtenis. Ik denk dan aan Bijbel-gedeelten zoals dat waar Mosheh met ’Aharon, Nadab en ’Abihu en zeventig van de oudsten van Isra’el op de berg Sinaï klommen en de God van Isra’el zagen (Exodus 24:9-11; vgl. ook Exodus 34:5-7). Of bij de roeping van Jesha‘-Jahu (Jesaja) in Jes.6:1-7. En bij de visioenen die Jechezq’el (Eze.1 en bijv. ook 3:23; 10:1-5) en ook Dani’el (7:1-15 i.h.b. vs 9) te zien kregen. En natuurlijk de openbaring die Johannes op Patmos ontving (Opb.1; 4:1-4).

Het was voor al die mensen een zeer indrukwekkend gebeuren. Er staat dan bijvoorbeeld dat het was alsof onder Gods voeten een plaveisel lag van lazuur, als de hemel zelf in helderheid. In het eerste voorbeeld hierboven kwamen ze niet verder dan dát, zo lijkt het. In andere gevallen zagen men­sen de zomen van Gods mantel die de tempel vulden. Gods troon wordt beschreven als hoog en verheven. Engelen, oudsten en andere wezens staan om Hem heen en bewijzen Hem hulde. Er wordt gesproken over fel stralend licht of over vuur dat voor Hem uitgaat. Paulus werd bij zijn roeping compleet verblind door Gods licht.
Vaak vallen mensen voorover op de grond uit ontzag en vanwege het felle licht. Denk aan wat Johannes elders schrijft, dat God licht is en in Hem in het geheel geen duisternis is; Hij is zó puur, zo oogverblindend, zó stra­lend...
In de beschrijvingen die mensen gaven vallen de metaforen en de super­latieven bijna over elkaar heen. Allerlei strálend fonkelende edelstenen, blinkend metaal, fakkels en vuurkolen en de zon, stralend in al haar kracht, worden erbij gehaald om enigszins de onbeschrijfelijke heerlijkheid van JaHUaH in menselijke termen te benaderen. Hij is zó onbeschrijfelijk in heerlijkheid en glorie!

In veel gevallen bewerkt het zien van God ook iets blijvends in de mensen die Hem zien: ze krijgen meer passie voor Hem; voor Zijn liefde, voor Zijn grootheid. En ze zijn meer bereid JaHUaH helemaal toegewijd te dienen. Jaqob krijgt bijvoorbeeld meer eerbied voor God, en wanneer hij zo'n 20 jaar later aan de ontmoeting herinnerd wordt, doet hij alle afgoden uit zijn gezin weg. Bij Jesha‘-Jahu zien we dat hij direct daarna bereid is om een moeilijke missie als profeet te aanvaarden.

Hoewel ik in de beschrijvingen van de mensen die een ontmoeting met de levende God hadden de term jir’at JaHUaH niet tegen ben gekomen, be­schrijven ze wel goed waar het bij de jir’at JaHUaH om gaat. Men is vól van Hem; van Zijn onbeschrijflijke glorie, van Zijn Liefde, van Zijn groot­heid. En men wil Hem dus eren en aanbidden, en Hem dienen met een grotere toewijding.

Hallelu JaHUaH !


Noten

1 De glorierijke Naam van God, JaHUaH geef ik hier zo goed mogelijk weer vanuit het oudste Hebreeuwse origineel.
Voor meer achtergrond informatie over deze glorierijke Naam van God, zie: André H. Roosma, ‘De wonderbare en liefelijke Naam van de God Die er was, Die er is, en Die er zijn zal.pdf document, uitgebreide Accede!/Hallelu-JaH! studie (ca. 90 p.), juli 2009.
2 Voor een uitleg bij deze vertaling van dit begrip, zie mijn Inleiding op Psalm 119 en uitleg van enkele kernwoorden.
3 Vaak wordt gezegd dat het onmogelijk is om God te zien. Men verwijst dan naar Bijbel-teksten als Ex.33:20; Joh.1:18; 5:37; 6:46; 1 Tim.6:16; 1 Joh.4:12, en vergeet de teksten waar gewoon staat dat mensen Hem op enig moment wél zagen, en leefden, zoals Gen.28:11-17; 32:30; Ex.3:11; 24:10; Joz.5:13-15; 2 Kron.18:18-22; Jes.6:1; Eze.1; Dan.7:9; Amos 9:1 Joh.14:9; Opb.1 e.v.; 4:1-4. Nu begrijp ik best dat als we alles precies willen begrijpen, we moeite hebben met deze schijnbare tegenstrijdigheden. Als we ons echter realiseren dat Gods wijsheid en waarheid oneindig veel groter is dan de onze en dus niet in ons kleine hersenpannetje past, hoeven we het niet helemaal te kunnen snappen. Sommige dingen gaan mij boven de pet, hoe dat dan precies zit. God is zoveel groter dan wij...
Wat wel opvallend is, is dat velen zich verbazen als ze iets van God gezien hebben en het er levend af gebracht hebben. We zien dat bijvoorbeeld al bij Jaqob in Gen.32:30, maar ook bij de 70 oudsten in Ex.24:10, bij Manoach en zijn vrouw in Richt.13:22 en bij Jesha‘-Jahu (6:5). Het idee, dat dat onmogelijk was, was er dus al vroeg. (Wellicht dat dat ook te maken heeft met het feit dat Gods glorie en heerlijkheid 'schuurt' met onze gebrekkigheid, onze zonde, onze gebrokenheid. Is het misschien zo dat we een beetje sterven aan onszelf, wan­neer we iets van God zien? Voller van Hem en wat minder dunk van onszelf?)
En toch laat God Zich daardoor niet weerhouden. Hij laat Zich keer op keer weer op verschillende manieren aan mensen zien. :-)
Zie ook de tekst hieronder over de vroegste betekenis van de terminologie die we hier bestuderen, die alles te maken lijkt te hebben met 'God zien'.

De vroegste betekenis?

Wat ik vaak doe, als ik de vroegste betekenis van een woord beter wil begrijpen, en het uit woordenboeken en dergelijke nog niet helemaal duidelik wordt, is het bestuderen in de context van vooral de eerste keren dat het in de Bijbel voorkomt. Vaak geeft een zin door de Hebreeuwse stijlvorm van parallellisme inzicht in de betekenis van de gebruikte woorden.
Ook kijk ik hoe het in andere Semitische talen voorkomt, met name in het Arabisch, omdat daarin veel oude vormen en betekenissen vrij goed bewaard zijn gebleven. Als ik daarmee een goed begrip krijg van de letters waarmee het in de tijd van Mosheh geschreven werd, geven ook de oude Semitische letters waaruit de basis van het woord bestond, vaak enige duidelijkheid over de betekenis.

Ik ging op zoek naar de oudste vorm van de Hebreeuwse werkwoord-stam ירא járé’ H3372. Daartoe kijk ik onder andere naar het Arabisch; Wanneer de Arabische vorm dezelfde letters heeft, is dat vaak ook de oude West-Semitische vorm. In dit geval is er geen Arabisch equivalent met dezelfde letters. Het bleek dat zowel de jod als de ’aleph mogelijk niet tot de oudste schrijfwijze behoorden. Gesenius et al zeggen bij ירא: deze stam is verzacht vanuit ירע - járé‘ (dus met ‘ajin, in plaats van met ’aleph). Fürst verwijst ook naar: ירהjarah (dat ook betekent: glanzen), verwant aan het Arabische ورهwarah; en verwijst ook naar ירע - járé‘ – je schuchter omdraaien, bang zijn, wanhopen, beven, trillen; en zegt dat dat het­zelfde is als ירא en ירה, Arabisch: يرعjara‘ vreesachtig zijn, wanhopen; of ورعwara‘ - je schuchter terugtrekken; volgens Wehr: godvrezend en God toegewijd zijn, pauzeren, voorzichtig zijn, aarzelen, verlegen of gereserveerd zijn.

Dit alles geeft weinig aanknopingspunten voor wat nu de oudste vorm is. Gezien wat Gesenius et al zeggen en wat ik in het Arabisch zie, houd ik het even op:

  • ירע - járé‘ - dus in het oude schrift: jad: arm met open hand, zijtakraisu: gezicht van opzij‘ajnu: oog - de hand van God zien;
  • of
  • ורע- wara‘ - dus in het oude schrift: wawu: tentharing, pinraisu: gezicht van opzij‘ajnu: oog - de verbinding met God zien.

Wanneer we de machtige of genadig gevende hand van God zien, of de verbinding met God zien, kan het haast niet anders of we raken vol van ontzag voor Hem.

In de jir’at JaHUaH staat er achter de stam nog een ת - tav - tav: kruis-teken - een kruis-teken; Daarin zien we dus de machtige of genadig gevende hand van God aan het kruis! Ik sta inderdaad vol ontzag te kijken!


Reacties

naam: *
e-mail: * (wordt niet openbaar gemaakt)
website: (optioneel)
reactie:
Ik wil graag dat mijn reactie hier wel / niet opgenomen wordt.
* = verplicht veld


Vorige delen in deze serie De veelzeggende Naam van God:
(25) ‘De lofzang van Mosheh (Mozes)’, op basis van Exodus 15, 27 jan. 2024;
(24) ‘Zijn Naam is verheven - roep Zijn Naam aan!’, op basis van Jesha‘-Jahu (Jesaja) 12, 9 jan. 2024;
(23) ‘ De Sprekende God van de Exodus en van de hele Bijbel’, 23 juni 2023;
(22) De rijkdom van de Titel אֵל רַחוְּם - ’El Rachum’;
(21) Waarom het christendom DE NAAM veelal negeerde;
(20) JaHUaH - de ware God van de Bijbel – is betrokken!;
(19) De rijkdom van de Titel אֵל שַׁדַּי - ’El Shaddai;
(18) Waarom het rabbijnse jodendom DE NAAM niet wil noemen;
(17) Wat we leren uit Jezus’ verzoeking in de woestijn.

 
home  home ,  nieuws index  ,  artikelen index

  
bloemdecoratie 

Bedankt voor uw belangstelling!

bloemdecoratie