De veelzeggende Naam van God (28)Het mooie voorbeeld van koning Jehoshaphat
André H. Roosma 30 juli 2024
In de Bijbel, Gods Woord, komen we de mooiste verhalen tegen over hoe
mensen in die tijd omgingen met hun God JaHUaH1, en -vooral-
over hoe Hij met hén omging! Eén van die verhalen vinden we in 2 Kronieken
20:1-20. Het gaat over het koninkrijk Jehudah ten
tijde van koning Jehoshaphat. Het staat bol van
de levenslessen die nu, voor ons, duizenden jaren later, nog steeds zeer
relevant zijn.
1 Daarna geschiedde het,
dat de nakomelingen van Mo’ab, de nakomelingen van ‘Ammon en met
hen andere ‘Ammonieten [of: Meünieten]
tegen Jehoshaphat ten strijde trokken.
2 Men kwam Jehoshaphat
melden: een grote menigte is tegen u opgetrokken van de overkant van de zee,
uit ’Aram, zie, zij zijn in Chatsetson-Tamar
- dat is ‘Ein-gedi -.
3 Toen werd Jehoshaphat
bevreesd [of: hij kreeg ontzag] en besloot
JaHUaH te raadplegen, hij riep voor heel Jehudah een vasten uit,
4 en Jehudah kwam
bijeen om hulp te zoeken bij JaHUaH, ja, men kwam uit al de steden van
Jehudah om JaHUaH te zoeken.
Wat gebeurt hier? Drie volken, die aan de overzijde van de Dode Zee woonden,
zijn daaromheen getrokken en staan op het punt, Jehudah vanuit het zuiden aan te vallen. Zodra koning Jehoshaphat daarvan hoort, wordt hij bevreesd. Zijn reactie is evenwel
voorbeeldig. Hij neemt een besluit; dat is een bewust actie. Hij besluit
JaHUaH te raadplegen. Dit is altijd het beste wat we kunnen doen, zeker
ook in een situatie die we menselijkerwijs niet aankunnen. Hij roept heel
Jehudah bij elkaar om samen te vasten en zo samen
hulp te zoeken bij JaHUaH, ja, staat erbij: om JaHUaH te zoeken.
Hij is onze Hulp! Het is wijs om vooral Hem Zelf te zoeken, in alle
omstandigheden.
Ook dán, als iedereen erbij gekomen is, neemt Jehoshaphat het voortouw:
5 Jehoshaphat ging te midden van de gemeente van Jehudah en Jerushalaïm staan, in het Huis
van JaHUaH voor de nieuwe voorhof,
6 en zei: JaHUaH, God van onze voorvaderen,
bent U niet God in de hemel, heerst U niet over al de koninkrijken van de
volken? In Uw hand is kracht en sterkte, niemand kan standhouden tegen U.
7 Bent U niet onze God, die voor het aangezicht van
Uw volk Isra’el verdreven hebt de inwoners van dit land en dit voor
altijd hebt gegeven aan het nakroost van ’Abraham, Uw vriend?
8 Zij woonden daarin, bouwden U daarin voor Uw Naam
een heiligdom en zeiden:
9 Indien ons een onheil overkomt: zwaard, gericht,
pest of honger, dan zullen wij ons voor dit Huis en voor Uw aangezicht
stellen, want Uw Naam is in dit huis, wanneer wij in onze benauwdheid tot U
roepen, zult U horen en helpen.
Koning Jehoshaphat gedenkt hier wat JaHUaH, al generaties lang hun God, al die tijd gedaan heeft, hoe Hij andere volken
voor Isra’el uit dit land verdreven heeft en hén daar geplant. Met andere
woorden: al gedenkende looft hij JaHUaH om Zijn macht en om wat Hij voor
Isra’el gedaan heeft. Fijntjes herinnert hij God en het hele volk eraan,
dat hun voorvader ’Abraham, Gods vriend was. Ook gedenkt hij wat Shelomoh (Salomo) had gebeden en wat JaHUaH beloofd
had: dat als ze in nood zouden zijn en dáár tot JaHUaH zouden bidden,
dat JaHUaH hen dan zou verhoren (zie 2 Kron.6:20-30; 1 Kon.8:33-35;
2 Kron 7:13).
Hij gaat verder:
10 Nu dan, zie, de
nakomelingen van ‘Ammon, de nakomelingen van Mo’ab en de lieden van
het gebergte Se‘ir, tegen wie U Isra’el niet toestondt op te
rukken, toen het uit het land Mitsraïm [dat is
Egypte] kwam - want het trok langs hen heen en verdelgde hen niet (zie Num.20:14-21; Deut.2:4-9) -,
11 zie toch, zij vergelden het ons door op te
trekken om ons uit Uw bezitting die U ons ten erve hebt gegeven, te verdrijven.
12 Onze God, zult U over hen niet gericht houden?
Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is
opgerukt, en wij weten niet, wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen
gevestigd.
13 Geheel Jehudah stond
voor het aangezicht van JaHUaH, zelfs hun kleine kinderen, hun
vrouwen en hun zonen.
Op een bijzondere manier laat Jehoshaphat hier
aan iedereen zien (aan God én het volk én zichzelf) dat God JaHUaH voor
hen verantwoordelijk is, en dat ze niet op eigen kracht of inzicht
vertrouwen, maar alleen op Hem hun hoop stellen. Mooi dat er ook bij staat
dat geheel Jehudah voor het aangezicht van
JaHUaH stond, zelfs hun kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen.
Daar zit iets in van een grote eenheid onder al die mensen samen, in het
zoeken van JaHUaH. JaHUaH laat Zich dan ook niet onbetuigd, en spreekt duidelijk, door
een van Zijn dienstknechten heen:
14 Toen kwam in het midden
van de gemeente de Geest van JaHUaH op de Leviet Jachazi’el, de
zoon van Zekharjahu, de zoon van Benajahu, de zoon van Jei’el, de zoon van Mattanjahu, uit de zonen van ’Asaph,
15 En hij zei: luistert, geheel Jehudah en inwoners van Jerushalaïm en
koning Jehoshaphat! Dit zegt JaHUaH tot u:
weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt voor deze grote menigte, want het
is geen strijd van u, maar van God.
16 Morgen moet u tegen hen oprukken, wanneer zij de
helling van Tsits bestegen hebben, zult u hen aantreffen aan het einde van het
beekdal voor de wildernis van Jeru’el.
17 Niet u zult hierbij behoeven te strijden: stelt
u op, blijft staan, dan zult u zien, dat JaHUaH u de overwinning geeft.
Jehudah en Jerushalaïm,
weest niet bevreesd en wordt niet verschrikt, morgen moet u tegen hen
uittrekken, JaHUaH is met u.
18 Toen boog Jehoshaphat
zich neer met het aangezicht ter aarde, en geheel Jehudah en de inwoners van Jerushalaïm
wierpen zich neer voor het aangezicht van JaHUaH, om JaHUaH te
aanbidden.
19 En de Levieten, behorende tot de Qohatieten en
de Qorachieten, stonden op om JaHUaH, de God van Isra’el, met
luide stem zeer hoog te loven.
Ja, wat kun je ánders dan Hem aanbidden en Hem loven, als JaHUaH zó
duidelijk en zorgzaam tot je spreekt?!
Wat ook belangrijk is, is Hem te gehoorzamen, waar het gaat om wat Hij van
hen gevraagd heeft om te doen. En dat gebeurt hier gelukkig ook, en weer neemt
Jehoshaphat de leiding en bemoedigt het volk om
JaHUaH te blijven vertrouwen. Ook stelt hij zangers aan, die voorop
zullen gaan. Ja, ook in m'n eigen leven merk ik hoe belangrijk het zingen van
lof aan JaHUaH is. Niet alleen eer je Hem ermee, je communiceert
daarmee ook heel krachtig dat je het van Hem verwacht. God reageert weer heel
duidelijk.
20 De volgende morgen
vroeg trokken zij uit naar de wildernis van Teqo‘a. En terwijl zij uittrokken, trad Jehoshaphat naar voren en zei: luistert naar mij Jehudah en inwoners van Jerushalaïm, heb vertrouwen
in JaHUaH, uw God, en u zult bevestigd worden, heb vertrouwen in Zijn
profeten en u zult voorspoedig zijn.
21 Hij beraadslaagde met het volk, en hij stelde
zangers voor JaHUaH, die de heilige Majesteit prijzen zouden,
terwijl zij voor de gewapenden uittrokken en zeiden: looft JaHUaH, want
Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
22 Op het ogenblik, dat zij de jubel en de lof
aanhieven, liet JaHUaH de nakomelingen van ‘Ammon en van
Mo’ab, en de lieden van het gebergte Se‘ir, die tegen Jehudah waren opgerukt, uit hinderlagen overvallen, en
zij werden verslagen.
23 Daarop keerden de nakomelingen van ‘Ammon
en van Mo’ab zich tegen de bewoners van het gebergte Se‘ir, om hen
met de ban te slaan en te verdelgen. Zodra zij met de bewoners van Se‘ir
hadden afgerekend, hielpen zij elkaar in het verderf.
24 Toen Jehudah
gekomen was bij de wachttoren in de wildernis, keerden zij zich naar het
krijgsvolk, en zie, het waren slechts lijken, ter aarde neergevallen;
niemand was ontkomen.
25 Daarna kwamen Jehoshaphat en zijn volk hun buit roven en vonden bij hen in overvloed zowel
have als kleren en kostbaarheden, zij plunderden zoveel, dat het niet te
dragen was, gedurende drie dagen waren zij bezig met het roven van de buit,
zo groot was deze.
JaHUaH had hun strijd gestreden. Ze hadden alleen nog maar een
enorme buit mee te nemen vanuit dit avontuur met JaHUaH. Cadeautje!
Ja, dat os wel weer reden tot enorme dankbaarheid en lof aan JaHUaH:
26 Op de vierde dag
kwamen zij samen in ‘Émeq Berakhah -
het Dal van Lofprijzing: daar prezen zij JaHUaH, hierom noemt men die
plaats tot op heden ‘Émeq Berakhah -
Dal van Lofprijzing.
27 Toen keerden al de mannen van Jehudah en van Jerushalaïm
om, met Jehoshaphat aan het hoofd, en gingen naar
Jerushalaïm terug met blijdschap, want JaHUaH had hen verblijd over hun vijanden.
28 Zij kwamen in Jerushalaïm, naar het Huis van JaHUaH, met harpen, citers en
trompetten.
Een van de mooie aspecten in dit verhaal vind ik de voortdurende, positieve
interactie tussen JaHUaH en Zijn volk.
29 En grote vrees voor
God kwam over al de koninkrijken van de landen, toen zij hoorden, dat
JaHUaH tegen de vijanden van Isra’el gestreden had,
30 Maar het koninkrijk van Jehoshaphat had rust, want zijn God gaf hem vrede aan alle
kanten.
Wat moet het voor die andere volken ook indrukwekkend zijn geweest, te
zien dat niet Isra’el zelf gestreden had, maar dat hun God,
JaHUaH het gedaan had. De Hebreeuwse uitdrukking van grote vrees voor
God die hier wordt gebruikt is de pachad ’Elohim. Dat is andere
vrees dan de jir’at JaHUaH waarover ik eerder schreef. Dit is
een vrees die je meer van een afstand laat staan. God gaf Zijn eigen volk
evenwel rust; dat is hier het Hebreeuwse nuach - een rust van niet
meer opgeschrikt worden, wat in tegenstelling staat met die pachad.
Ziet u hoe de glorierijjke Naam, JaHUaH, verschijnt door heel dit gedeelte, van begin tot eind? Jehoshaphat voelt zich vrij om De Naam te
gebruiken – zowel in zijn gebeden als in zijn woorden naar zijn volk toe.
En tenslotte blijkt dat zelfs de mensen in buurlanden JaHUaH, de God
van Isra’el, kenden en vreesden; de God Die zo majestueus en glorieus
tussenbeide was gekomen voor Zijn volk.
Ja, de heerlijke Naam van de God van de Bijbel, JaHUaH, is het waard,
vermeld, geprezen en verkondigd te worden door alle volken – ook vandaag
nog, en tot in eeuwigheid!
Hallelu JaHUaH !
Noten
Vorige delen in deze serie De veelzeggende Naam van
God: (27) ‘Het gebruik en niet-gebruik van namen’,
10 mrt. 2024 (26) ‘De יראת יהוה - jir’at JaHUaH’,
18 feb. 2024 (25) ‘De lofzang van Mosheh (Mozes)’,
op basis van Exodus 15,
27 jan. 2024; (24) ‘Zijn Naam is verheven - roep Zijn Naam aan!’, op basis van
Jesha‘-Jahu (Jesaja) 12,
9 jan. 2024; (23) ‘
De Sprekende God van de Exodus en van de hele Bijbel’,
23 juni 2023; (22) De rijkdom van de Titel אֵל רַחוְּם -
’El Rachum’; (21) Waarom het christendom DE NAAM veelal negeerde; (20) JaHUaH - de ware God van de Bijbel – is betrokken!; (19) De rijkdom van de Titel אֵל שַׁדַּי -
’El Shaddai; (18) Waarom het rabbijnse jodendom DE NAAM niet wil noemen; (17) Wat we leren uit Jezus’ verzoeking in de woestijn.
|